“Anderen helpen hoorde bij hem”

Rita op een bankje

Op een woensdag ergens begin 2011 werd de man van Rita Roelfsema voor de tweede keer geopereerd aan een goedaardige hypofysetumor. De vorige keer was alles goed gegaan, dus Rita was niet voorbereid op het ergste toen het misging: haar man overleed aan complicaties. Hij was geregistreerd als donor. Voor Rita is het een troost dat vijf mensen zijn geholpen met zijn gezonde organen.

Je vindt het belangrijk om over die ervaring te vertellen. Waarom?
“Veel mensen vinden orgaandonatie eng, terwijl er niets griezeligs aan is. Toen het ons overkwam, dacht ik: daar moet ik iets mee. Ik wil mijn verhaal vertellen om dat duidelijk te maken.”

Je wilt ook een ander misverstand uit de weg ruimen.
“Klopt. Getransplanteerden praten vaak over de donor als een held. ‘Voor ons is iemand gestorven,’ zeggen ze dan. Ik zie dat anders. Diegene die is gestorven, ging tóch wel, alleen kan datgene wat nog goed is aan dat lichaam daarna nog voortleven. Ronald zou toch overleden zijn, de donatie heeft daar niets mee te maken.”

Waaraan is hij overleden?
“Kort na de operatie traden er bloedingen in zijn hersenen op. Ik werd gebeld en ging meteen samen met mijn zoon naar het ziekenhuis. Daar werd me verteld dat Ronald niet meer op prikkels reageerde en geen kans meer had om te overleven.”

Dat moet een ongelofelijke klap zijn geweest.
“Het kwam nauwelijks bij mij binnen. Het was niet te bevatten. ’s Ochtends had ik hem nog gesproken en ik ben gewoon gaan werken, want we hadden het al eerder meegemaakt. Hij had dezelfde operatie al eens ondergaan en die keer vonden we het wel spannend, maar toen was alles goed gegaan. Na vier dagen was hij zelfs weer thuis.”

Kon je op iemand terugvallen?
“Ja, ik heb mijn zus gebeld. Zij kent de medische wereld omdat ze dialyseverpleegkundige is, en het is fijn als er zo iemand bij is. Mijn zus vroeg meteen: is hij geregistreerd als donor? Ik zei: inderdaad, nu je het zegt, dat is zo.”

Het lijkt me een dubbel gevoel, dat je je man aan het verliezen bent en tegelijkertijd denkt: hij is geregistreerd als donor.
“Dat viel wel mee, want het ging allemaal niet zo snel. Na de boodschap dat hij geen overlevingskansen had, gebeurde er van alles. Er werd gezegd: hij is nog jong, we blijven doorbehandelen. Op een bepaald moment was er toch een reactie op prikkels gemeten in de hersenstam. Toen ging er door mijn hoofd: mooi dat ze een reactie vinden, maar als hij maar geen kasplantje wordt. Dan vraag je je af: waar gaat dit naar toe?”

Hoe verliepen die dagen verder?
“Ik kon bij Ronald blijven zo lang als ik wilde en kon er ook overnachten. Mijn zoon en dochter en hun partners, mijn moeder en mijn zus waren er. Wij hebben geen enkel levensteken meer van hem gezien. Toen ze zijn ogen controleerden, zagen we dat die volkomen verstard waren. Toen ging ik beseffen: dit komt niet meer goed. Dat gebeurde niet van het ene op het andere moment.”

Wanneer kwam het donorschap ter sprake?
“Al voordat het ziekenhuis ermee kwam, hebben wij met elkaar besproken dat hij geregistreerd was als donor. Ik had het woord ‘donor’ al eens laten vallen, want ik was bang dat er niets meer mogelijk was als zijn hart ermee ophield. Maar toen ik het noemde, zeiden ze: dat is nog lang niet aan de orde. Dat was woensdag. Op donderdag, toen Ronald geen enkele reactie meer vertoonde, zei ik dat hij geregistreerd was als donor en vroeg of ze dat al hadden opgezocht. Dat was niet zo. Er gebeurt dus niets versneld. Ik vind het belangrijk om dat te benadrukken.”

Het verliep allemaal rustig?
“Ja, heel zorgvuldig ook. Niet van: hij is dood en nu gaan we de procedure starten. Eerst vroegen ze ons hoe wij ertegenover stonden. We konden toen antwoorden dat we het er al over hadden gehad en dat we er allemaal achter stonden, omdat het zijn beslissing was.”

Hij is pas de volgende dag geopereerd. Was het goed dat daar nog zo veel tijd overheen ging?
“Ze zeiden dat er veel van ons geduld werd gevraagd, omdat hij al die tijd aan de apparatuur zou blijven. Ik dacht: hoezo geduld? Anders was hij al eerder afgekoppeld. Ik vond het geen probleem, ik voelde eerder opluchting. We mochten tot de operatie bij hem blijven. Wel wilde ik weten hoe het zat met het tijdstip van overlijden, en het bleek dat hij voor de wet al overleden was toen hij hersendood werd verklaard. Dat is heel klinisch, niemand hoeft meer iets te beslissen. Toen hadden we er helemaal geen moeite meer mee. We gaven hem de kans om anderen te helpen. Dat deed hij altijd, dus het hoorde echt bij hem. In de loop van de avond merkten we dat hij meer ondersteuning nodig had, omdat anders bepaalde functies zouden uitvallen. Dat was een echte bewustwording van de onomkeerbaarheid, en we waren bang dat het voor donatie nog te laat kon zijn.”

Hoe heb je het moment van de uitname van de organen beleefd?
“Dat anderen een nieuwe kans kregen, hield ons gaande. Op het moment van de operatie weet je dat er allemaal autootjes alle kanten op rijden en dat er mensen heel gelukkig worden gemaakt. Onze humor liet ons ook niet in de steek, want één orgaan werd per helikopter vervoerd en we zeiden tegen elkaar: nou gaat hij nog vliegen ook! Hij had nog nooit in een helikopter gezeten en dat had hij graag eens gewild.”

Wat gebeurde er na de operatie?
“Toen hebben we hem voor het eerst écht dood gezien. Hij had geen kleur meer, hij was een stoffelijk overschot. Die term heeft veel inhoud gekregen. Het klinkt misschien gek, maar we hebben koffie gedronken bij hem, dat was heel mooi. Er was niets aan hem te zien, alleen zijn buikje was weg. Het was heel netjes gebeurd. Dat geldt voor alles: het is zeer zorgvuldig gedaan, niemand hoeft hier bang voor te zijn. Er gebeurt niets wat je niet wilt, elke stap wordt uitgebreid besproken.”

Hoe is het met de getransplanteerde organen gegaan?
“Na een paar maanden kreeg ik bericht dat er vijf mensen zijn geholpen. Zijn nieren, longen, lever en hart zijn naar mensen gegaan die allemaal lang op de wachtlijst stonden of heel urgent waren, en met iedereen gaat het goed. Fantastisch! Als ik de ontvanger van zijn lever ooit tegenkom, ga ik vertellen dat Ronald gek was op droge wijntjes. Van degene die zijn hart heeft gekregen, heb ik een bedankbrief ontvangen via de NTS. Dat vond ik heel bijzonder en heeft me heel gelukkig gemaakt. Ook dit ging weer zorgvuldig, want als je geen behoefte hebt aan nadere berichten, is dat ook goed.”

Je zit in een groep voor mensen die hun partner hebben verloren en bent daarin de enige die met orgaandonatie te maken heeft gehad. Is je gevoel daardoor nu anders, denk je?
“Zeker. Ik heb nog iets waar ik mee verder kan, maar voor de anderen in die groep is alles afgelopen. Ronald heeft zijn organen gegeven en ik kan mijn verhaal doen, dus ik ben met iets bezig wat ook van hem is. Ik heb bericht gehad over de transplantaties, ik ben bij de onthulling van het donormonument geweest, ik heb contacten met getransplanteerden, ik heb een brief van een ontvanger gekregen. Dat zijn stukjes rouwverwerking die anderen niet hebben. De dood was onomkeerbaar, maar hij heeft wel anderen kunnen helpen na zijn dood. Dat heb ik met mijn kinderen bewust beleefd. We hebben op die moeilijke momenten gedacht aan degenen die hij blij kon maken. Stel je voor, er is een hart voor je, dan ben je toch dolblij? Híj had er niks meer aan. De goede delen van zijn lichaam zijn gered en daarmee heeft hij anderen kunnen helpen voor wie het anders afgelopen zou zijn. Bij alle verdriet is dat een troostrijke gedachte.”