Ga naar de inhoud

Blijven bewegen

Djuna MaesDjuna Maes, ontvanger van donorlongen

Als klein kind mocht ik graag een potje vechten. 
Sterker nog, het was als kleuter één van mijn lievelingsdingen om te doen met mijn vader. Evenals ‘de trap naar zolder beklimmen op zoek naar avonturen’, was een krachtmeting met hem één van mijn favoriete bezigheden.  
Ik vroeg hem dan of hij wilde vechten, waarop hij altijd ‘ja’ zei en vervolgens vroeg: ‘Ben je er klaar voor?’. 

Ik zette me in de startpositie en daar gingen we! Ik werd van links naar rechts geslingerd, maakte snoekduiken en schijnbewegingen en op een of andere manier won ik altijd. Destijds schreef ik die overwinningen toe aan mijn fantastische vechtkunsten. Immers: als je vier jaar bent, weet je niet dat vaders je laten winnen, dan ben je zelf degene die voor de overwinning zorgt. 

Als ik stilviel of even wegkeek tijdens het ‘geknok’ dan zei hij: ‘Blijven kijken. Blijven kijken en altijd blijven bewegen, Djuna’. Soms deed ik dat maar geregeld bleek dat ik moe werd en geen zin meer had, dat betekende dan het einde van ons spel. 

Blijven bewegen werd een automatisme voor me. Ik was al een energiek kind, maar onbewust gesteund door de overwinningen, verhief ik het ‘blijven bewegen’ tot een kunstvorm. Een altijd te verkiezen weg, boven stilstaan. 

Ik danste, rende, sprong en huppelde in de rondte op weg naar de volgende uitdaging. Los van het feit dat sporten voor mensen met CF erg belangrijk is en deze wijze les van mijn vader mogelijkerwijs niet zo toevallig was gekozen, gezien het op peil houden van mijn gezondheid destijds, betekende het voor mij méér. 

Toen ik een aantal jaar geleden als nieuwbakken rechtenstudent mijn studie staakte omdat ik te weinig lucht had om me aan te kleden, laat staan om mijn wettenbundels naar de colleges te vervoeren, voelde ik me machteloos. Ik begon te denken dat het met mij waarschijnlijk niet goed zou aflopen. Iets wat ik erg jammer vond, weet ik nog: voor mijn gevoel had ik nog lang niet alles gedaan wat ik wilde en had ik nog niet de kans gekregen om volwassen te worden, om echt te léven.

Toen mijn wereld steeds kleiner en benauwder werd en ik ook andere vaardigheden zoals lopen, eten en zelf ademen moest opgeven, voelde ik me moe en verloren. 
Ik stond stil. 

Er was geen weg vooruit en ook geen weg terug, ik kon slechts wachten op een oproep voor donorlongen, passief wachten en van het ‘blijven bewegen’-credo leek op het eerste zicht weinig meer over. 

Intussen kijk ik terug op mijn zevende re-transplantatieverjaardag en een jaar waarin ik meer dromen kon waarmaken dan ik ooit voor mogelijk hield.

Betekent dat, dat ik hard gevochten heb? 
Nee. 

Omgaan met een levensbedreigende ziekte heeft, in mijn ogen, niets te maken met vechten. In de eerste plaats al omdat het met een oneerlijk uitgangspunt start: degene met de ziekte heeft namelijk niet gevraagd om de strijd! Alleen al daarom kan er nooit sprake zijn van een gelijkwaardig duel. 
Het gaat erom je te verhouden tot je ziekte, om binnen je mogelijkheden een weg te zoeken: 

Door te blijven kijken en te blijven bewegen. 

Door mijn donorlongen kan ik weer dansen, rennen, fietsen en huppelen, fysiek weer meedoen in de maatschappij. 

Toch zijn het juist mijn donoren die ervoor zorgden dat ik erachter kwam wat er zo speciaal was aan de les die ik leerde als vierjarige spring in ’t veld: 
Winnen is niet het verslaan van de ander, winnen is jezelf vinden en blijven, ondanks de slagen die je krijgt. Veerkrachtig te blijven geloven dat je het kunt en kracht halen uit de wetenschap dat jij degene bent die iedereen kan verbazen.

Dit is de laatste column die ik hier schrijf. Het leven roept, alles is gezegd. 
Het ga je goed.

‘If people think you can’t do it, 
Show them wrong’ 
- Niki Nakayma -