Ga naar de inhoud

De mens is geen middel

Eline Bunnik, medisch ethica

Voor het radioprogramma 'BNR Beter' was ik laatst in de studio met Michiel Erasmus, chirurg bij het UMC Groningen. We spraken daar over nieuwe perfusiesystemen voor gedoneerde harten. Een perfusiesysteem geeft het hart zuurstof nadat het is uitgenomen, zodat het orgaan goed blijft tijdens transport. 

Organen die van te lage kwaliteit zijn kunnen met perfusie alsnog geschikt worden gemaakt voor donatie. Daarmee groeit het aanbod van organen en kunnen artsen meer patiënten helpen. En dat is belangrijk, want er zijn nog altijd meer donororganen nodig.

Hoe kun je als ethicus hier tegenaan kijken? Er zijn twee mogelijkheden: perfusie wordt ingezet in het lichaam van de overleden donor of buiten het lichaam. Gelukkig is er in Groningen gekozen voor het laatste. Waarom? De eerste optie is ‘moeilijk uit te leggen aan mensen’, zegt Erasmus. Als je perfusie gebruikt in het lichaam van de donor houdt dat in dat de bloedsomloop weer op gang wordt gebracht. En dat heeft iets onprettigs.

Wij denken bij de dood aan stilstand van het hart. Maar als artsen in de operatiekamer het hart weer laten kloppen, wordt de overledene dan tot leven gewekt? Wordt hij of zij weer ‘wakker’? Dat is niet het geval. De dood is niet terug te draaien. Op zich is dit dus geen overtuigend bezwaar tegen perfusietechnieken in het lichaam van de donor.

Maar er zijn nog 2 redenen waarom perfusie van organen buiten het lichaam beter is. Ten eerste is de uitname van het orgaan toch vaak een belasting voor de nabestaanden. Die zijn vlak vóór het vaststellen van de dood vooral bezig geweest met het beschermen en behouden van het stervende lichaam. Daarna moeten ze heel plotseling het lichaam uit handen geven, wetende dat het zal worden beschadigd. Hoewel dat vaak moeilijk is, weegt het doel van de donatie – het redden van levens – voor veel families op tegen deze kortdurende onderbreking van het rouwproces.

Maar dat betekent wél dat de tijd die nodig is om de organen uit te nemen zo kort mogelijk moet worden gehouden. Het lichaam kan dan snel worden teruggebracht naar de familie. Ook moet de aantasting van het lichaam van de overledene zoveel mogelijk worden beperkt. Daar past perfusie binnen het lichaam van de donor minder goed bij.

Ten tweede is er het morele bezwaar van ‘instrumentalisering’. Rond 1800 schreef Immanuel Kant dat mensen elkaar nooit als alleen als middel, maar ook altijd als ‘doel op zich’ moeten behandelen. De overleden donor mag niet alleen maar instrumentele betekenis hebben - voor de artsen of voor de ontvanger - maar moet ook als mens worden beschouwd.

Dat geldt ook voor het levenloze lichaam, vind ik. Daar hoor je respect voor te hebben. Dat is wellicht de basis van onze eerder genoemde morele intuïtie – het onprettige gevoel - en een reden om perfusietechnieken niet in het lichaam van de overleden donor te gebruiken, maar daarbuiten.