Ga naar de inhoud

registreer je direct donorregister.nl

Orgaandonatie na euthanasie: het kan – maar simpel is het niet

Gert van DijkGert van Dijk, Medisch ethicus

Het komt steeds vaker voor: mensen die om euthanasie vragen en na hun dood hun organen willen doneren. In België bestaat hier al langer ervaring mee en in Nederland kwam deze combinatie in 2013 drie keer voor. Orgaandonatie na euthanasie – het kan soms wel, maar er liggen nogal wat medische, praktische en ethische hobbels op de weg.  

De meeste mensen die overlijden door euthanasie komen medisch gezien niet in aanmerking voor orgaandonatie. Mensen met kanker bijvoorbeeld – het overgrote deel van de mensen die euthanasie krijgen - kunnen bijvoorbeeld vrijwel nooit hun organen doneren.

Maar voor andere patiënten kan het soms wel. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen met een spier- of zenuwaandoening, zoals ALS of MS. 

In de meeste gevallen wordt euthanasie uitgevoerd door de huisarts bij de patiënt thuis. Maar omdat organen direct na het overlijden moeten worden uitgenomen, is het noodzakelijk dat de euthanasie wordt uitgevoerd in het ziekenhuis. Dat betekent dat de patiënt en de huisarts – als die de euthanasie uitvoert – naar het ziekenhuis moeten komen – vaak per ambulance - voor de euthanasie. Los van de emotionele en praktische problemen die dit met zich meebrengt hebben veel ziekenhuisdirecties er vanwege mogelijke aansprakelijkheid moeite mee als een huisarts binnen hun muren euthanasie uitvoert.  

De uitvoering van euthanasie vindt dus niet thuis plaats, maar in de klinische setting van een ziekenhuis. En vanwege de benodigde snelheid hebben de nabestaanden pas na de orgaandonatie gelegenheid om afscheid te nemen van het lichaam van de overledene. 

Juridisch gezien zijn er geen beletsels voor de combinatie van procedures: zowel de euthanasiewet als de wet op de orgaandonatie staan niet in de weg. Maar omdat euthanasie een niet-natuurlijke dood is en de organen direct moeten worden uitgenomen, moet de Officier van Justitie vooraf ingelicht worden dat deze bijzondere combinatie uitgevoerd gaat worden. 

Bij orgaandonatie na euthanasie zijn meerdere artsen betrokken die nauw met elkaar moeten samenwerken. Maar de arts die de euthanasie uitvoert mag natuurlijk geen belang hebben bij het uitnemen van de organen. De twee procedures moeten dan ook strikt gescheiden verlopen, maar moeten wel naadloos op elkaar aansluiten. Dat is logistiek niet eenvoudig.

Om mogelijke druk op de patiënt te vermijden kan er pas over orgaandonatie worden gesproken als de euthanasieprocedure is afgerond en duidelijk is dat aan de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie is voldaan. En uiteraard moet de patiënt in de gelegenheid worden gesteld tot op het laatste moment nee te zeggen tegen zowel de orgaandonatie als de euthanasie. 

Als het zo ingewikkeld is, waarom er dan toch aan beginnen? Allereerst natuurlijk omdat met de gedoneerde organen mensenlevens  gered kunnen worden. Volgens schattingen zou ongeveer vijf tot tien procent van de mensen die euthanasie krijgen in aanmerking kunnen komen voor orgaandonatie. Vijf procent lijkt niet veel, maar betekent toch jaarlijks 250-500 potentiële orgaandonoren. En wie zich bedenkt dat er in Nederland jaarlijks maar zo’n 250 ‘normale’ orgaandonoren zijn, waarmee zo’n 700 vaak levensreddende transplantaties uitgevoerd worden, ziet meteen dat het in theorie om een verdubbeling van het aantal orgaandonoren gaat.

Dit redden van mensenlevens is voor de mensen die door euthanasie gaan overlijden ook meteen het belangrijkste motief om de organen te doneren. Zij hebben de zekerheid dat zij gaan overlijden en willen door orgaandonatie zin geven aan dat overlijden. Ook voor nabestaanden kan dit een troost zijn. En gelet op de moeite die deze dappere mensen zich moeten getroosten verdienen zij hiervoor respect en optimale ondersteuning door zorgverleners.