Ga naar de inhoud

Zelfrijdende auto’s

Gert van DijkGert van Dijk, Medisch ethicus

Hoe lang het nog zal duren is onduidelijk, maar dat ze er aan komen is zeker: autonome voertuigen. Dat gaat grote gevolgen hebben. Mogelijk zullen autonome drones het vervoer van organen tussen ziekenhuizen kunnen vergemakkelijken. Taxi- en vrachtwagenchauffeurs moeten op zoek naar ander werk, het autobezit zal sterk afnemen en daarmee waarschijnlijk ook de verzekeringspremies. Zelfrijdende auto’s zullen immers veel minder ongelukken maken dan menselijke bestuurders, die achter het stuur vaak met hun telefoon bezig zijn.

Negentig procent van het aantal verkeersongelukken is te wijten aan menselijke fouten. Maar zelfrijdende auto’s spelen niet met hun telefoon en zijn ook nooit hongerig, moe of ongeduldig.

Volgens sommige schattingen zullen zelfrijdende auto’s daarom jaarlijks wereldwijd voor ten minste een miljoen minder verkeerslachtoffers kunnen zorgen. Wat veel mensen zich echter niet realiseren, is dat deze ontwikkeling ook gevolgen kan hebben voor het aantal orgaandonoren.

Het ‘donorpotentieel’, oftewel het aantal mensen dat op zodanige wijze overlijdt dat de organen geschikt zijn voor transplantatie, bestaat in Nederland vooral uit mensen met ernstig schedelhersenletsel - vaak door een (verkeers)ongeval - en uit mensen met een subarachnoïdale hersenbloeding (SAB). Beide groepen worden steeds kleiner. Het aantal verkeersslachtoffers is sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw dramatisch afgenomen en zowel de incidentie van, als de sterfte aan SAB’s is veel kleiner geworden. Dementie en kanker zijn tegenwoordig de belangrijkste doodsoorzaken, aandoeningen die mensen vrijwel altijd ongeschikt maken voor orgaandonatie.

Dat het donorpotentieel daalt is geen toeval, maar bewust beleid. Een postmortale orgaandonor is tenslotte vrijwel altijd iemand die te jong en onverwacht is overleden. Dat willen we het liefst zo veel mogelijk voorkomen. Bijvoorbeeld door het verkeer veiliger te maken, bijvoorbeeld met vrij liggende fietspaden, veiligere auto’s, valhelmen en veiligheidsgordels.

En door risicofactoren voor een SAB - roken, alcoholmisbruik, een hoog cholesterolgehalte en hoge bloeddruk - te bestrijden, en door er met steeds betere behandelingen voor te zorgen dat mensen na een eerste SAB geen recidief krijgen, waaraan ze vaak overlijden. Want hersendood en orgaandonatie zijn niet het doel, maar de ongewenste uitkomsten van een IC-opname. We hebben liever dat een patiënt de IC-opname overleeft dan dat iemand orgaandonor wordt.

Dat het ondanks het afnemend donorpotentieel toch lukt om het aantal orgaandonoren te stabiliseren heeft vooral te maken met technologische ontwikkelingen op het gebied van orgaanpreservatie en door het verleggen van de grenzen van wat als een ‘geschikt’ orgaan wordt gezien. Zo zijn veel leeftijdsgrenzen voor orgaandonatie verschoven en voor sommige organen, zoals die voor nieren, zelfs helemaal afgeschaft. Ook de contra-indicaties voor orgaandonatie zijn de afgelopen decennia veranderd, waardoor meer organen uitgenomen kunnen worden.

Maar het dilemma van orgaandonatie blijft: we willen graag meer orgaandonoren, maar tegelijkertijd willen we er ook minder. En dus zijn er in Nederland iedere dag mensen bezig om meer orgaandonoren te krijgen, terwijl andere mensen juist bezig zijn om te voorkomen dat mensen orgaandonor worden. Orgaandonatie is altijd zowel een kwestie van stimuleren, als van voorkomen.