4. DBD-procedure: vaststellen van de dood en donorbehandeling

4.1. Vaststellen van de hersendood

Voor het vaststellen van de hersendood wordt het hersendoodprotocol gebruikt.

Het Hersendoodprotocol is bij Algemene Maatregel van Bestuur vastgesteld.

Het Hersendoodprotocol moet dus gevolgd worden om de hersendood vast te stellen. Het meest recente protocol is ingegaan op 1 augustus 2016.

In het Hersendoodprotocol is het ‘whole brain death’-concept het uitgangspunt. Volgens dit concept is er sprake van hersendood als alle functies van de hersenen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg, volledig en onherstelbaar verloren zijn. Om de hersendood te kunnen vaststellen, moet aan de volgende voorwaarden voldaan worden (samengevat):

  1. Er is vastgesteld dat aan de zogenoemde prealabele voorwaarden is voldaan. Dit is het geval als:
    • de oorzaak van het hersenletsel bekend is
    • het hersenletsel dodelijk en onbehandelbaar is
    • er geen mogelijk omkeerbare oorzaken zijn aan te wijzen voor de functiestoornis, zoals hypothermie, intoxicatie, hypotensie, blokkade van de neuromusculaire overgang of een ernstige biochemische of metabole stoornis
  2. Reanimatie in de afgelopen 12 uur kan ook een functiestoornis tot gevolg hebben.
  3. Medicamenteuze neurodepressie is uitgesloten.
  4. Er is een klinisch-neurologisch onderzoek uitgevoerd.
  5. Er is aanvullend onderzoek gedaan, zoals elektro-encefalografie (EEG), Transcranieel Doppleronderzoek (TCD) of CT-angiografie van de hersenvaten (CTA).
  6. Er is een apneutest gedaan.

Is op basis van deze stappen de hersendood is vastgesteld, en is er toestemming voor donatie? Vul dan het hersendoodformulier in (Bijlage 2). Aan het einde van het hersendoodprotocol vindt u het formulier. 

Diagnostiek bij kinderen jonger dan 1 jaar

Voor het vaststellen van de hersendood bij kinderen die jonger zijn dan 1 jaar, is het nodig om de bovengenoemde testen na een observatieperiode te herhalen. Zie het Besluit hersendoodprotocol. De leeftijd van het kind bepaalt de lengte van de observatieperiode.

De vereiste observatieperiode bedraagt:

  • bij kinderen in de neonatale periode (eerste levensweek): 48 uur
  • bij kinderen daarna tot de leeftijd van 2 maanden: 24 uur
  • bij kinderen in de leeftijd van 2 tot 12 maanden: 12 uur

De hersendood kan niet worden vastgesteld: wat nu?

Het is mogelijk dat tijdens het uitvoeren van het Hersendoodprotocol uit een test blijkt dat de hersendood (nog) niet vastgesteld kan worden. Dan zijn er 2 mogelijkheden:

  1. de test na een bepaalde tijdsperiode herhalen
  2. switchen naar de DCD-procedure

Het besluit hierover wordt genomen in overleg met de neuroloog, de intensivist en de familie van de patiënt. De voorkeur gaat altijd uit naar een DBD-procedure, omdat er dan meer organen gedoneerd kunnen worden en dit doorgaans tot betere transplantatie resultaten leidt.