Belangen na de dood

28 april 2020

Eerder betoogde ik in deze column dat het systeem van actieve donorregistratie niet noodzakelijk leidt tot een inperking van de zelfbeschikking. Sterker nog, het systeem kan de zelfbeschikking ten aanzien van donatie juist versterken. Voorwaarde is wel dat burgers goed worden geïnformeerd en laagdrempelig hun wensen kunnen laten registreren. Daarnaast is het belangrijk dat zij praten met hun naasten over hun wensen. Als naasten op de hoogte zijn van de wensen van de overledene, dan kunnen zij ervoor zorgen dat die wensen worden gerespecteerd. Actieve donorregistratie vraagt van ons allemaal dat we nadenken over orgaandonatie en over het waarom van onze wensen.   

Column april 2020

Eline Bunnik Ethicus aan Erasmus MC in Rotterdam

Ik heb die aansporing ter harte genomen en orgaandonatie met mijn kinderen besproken aan onze keukentafel, na het eten. Mijn 13-jarige dochter en 9-jarige zoon zeiden meteen en volmondig ‘ja’. 'Natuurlijk mogen andere kinderen mijn organen hebben als ik dood ben,' zei mijn zoon, 'ik heb ze dan toch niet meer nodig.' Toen ik hem erop wees dat dit wel zou betekenen dat zijn lichaam dan, meteen na zijn overlijden, zou worden weggereden naar de operatietafel, vond hij dat geen probleem. Wel wilde hij weten hoe lang het zou duren – een uur, hooguit een paar uur, zei ik – en of je gewoon begraven of ‘verbrand’ kon worden. Hij zag verder geen bezwaren. Mijn dochter was benieuwd of je lichaam er wel netjes uit zou zien als het zou worden teruggebracht naar de familie. Dat vindt ze belangrijk. 'Er is toch niets mooiers dan je organen geven aan iemand anders, als je zelf dood bent? Op die manier doe je iets ongelooflijk bijzonders voor een ander; je geeft iemand een heel leven.' Ik vroeg mijn 6-jarige zoon, die de hele tijd aandachtig had zitten luisteren, naar zijn wensen met betrekking tot orgaandonatie. Mochten zieke kinderen zijn organen hebben als hij dood zou gaan? 'Ja hoor,' zei hij, 'dat mag, want als je dood bent, dan kun je toch niet meer leven.'

Dat is waar, maar dat betekent niet dat het niet uitmaakt wat er gebeurt met je lichaam. Aristoteles heeft ergens beweerd het aantasten van de eer van een levende persoon schadelijk is voor die persoon, ook als hij zich daar niet van bewust is, bijvoorbeeld als het achter zijn rug om gebeurt. Je kunt dus schade ondervinden – of geschaad worden – zonder het te weten. Daaruit volgt, vindt Aristoteles, dat het aantasten van de eer van een overleden persoon, die zich daarvan immers ook niet bewust is, net zozeer schadelijk is voor die persoon als ware hij nog in leven. Over de doden niets dan goeds.

Zodra wij sterven, houden wij voor de wet op ‘personen’ te zijn, en verliezen wij alle rechten die ons als personen toekwamen. Als je dood bent, heb je geen rechten meer. Toch hebben wij wel belangen die zich uitstrekken over de dood, en kan ons goed of kwaad worden gedaan, ook als wij daar niets van weten. De filosoof Ronald Dworkin schreef in de jaren ’90 over deze belangen. Ook hij vond dat wij vital interests hebben, ook na ons overlijden. Die belangen zijn kritiek (vital) in de zin dat ze ons écht aangaan, dat ze echt belangrijk voor ons zijn. 

Dat is ook niet zo gek. Verreweg de meesten van ons zullen erkennen dat het overleden lichaam belangrijk en waardig is, en moet worden behandeld volgens de wensen van de persoon die voorheen in dat lichaam huisde. Wij hebben belang bij de wijze waarop na onze dood met ons lichaam wordt omgegaan. Mijn kinderen hebben er belang bij dat ik weet wat hun wensen zijn ten aanzien van orgaandonatie. In de aanloop naar actieve donorregistratie zullen de komende maanden aan vele keukentafels gesprekken worden gevoerd over onze belangen en wensen na de dood. En dat levert mooie, maar ook grappige gesprekken op.