Donatie bij niet natuurlijke dood

Wanneer een potentiële donor komt te overlijden, maar de doodsoorzaak niet ‘natuurlijk’ is, bijvoorbeeld door een ongeval of een (vermoed) misdrijf, of als het gaat om iemand jonger dan 18 jaar, dan kan donatie alleen plaatsvinden met toestemming van de Officier van Justitie. Het is een wettelijk geregelde taak van de officier van justitie om bij een niet-natuurlijke dood al dan niet toestemming te geven voor donatie. Zo wordt voorkomen dat door het verwijderen van organen sporen van strafbare feiten die tot het overlijden hebben geleid worden uitgewist.

De behandelend arts dient contact op te nemen met de forensisch geneeskundige om de niet-natuurlijke dood in combinatie met mogelijke donatie te melden. Afhankelijk van de situatie zal de forensisch geneeskundige vóór of na de donatie een schouw verrichten. In geval van orgaandonatie kan de TC zorgen voor een besluit/toestemming van de officier van justitie voor de toestemming voor donatie. Dit kan rechtstreeks of via de forensisch geneeskundige, afhankelijk van lokale afspraken. Het overleg tussen de gemeentelijk lijkschouwer of de transplantatiecoördinator met de officier van justitie, waarbij de toestemming van de officier wordt gevraagd, vindt in de regel vaak telefonisch plaats.

Bij een niet-natuurlijke dood kunnen zich de volgende drie situaties voordoen:

  1. Er is een niet-natuurlijke dood maar er is geen vermoeden van een strafbaar feit, bijvoorbeeld een eenzijdig verkeersongeval.
  2. Er is een niet-natuurlijke dood en een vermoeden van een strafbaar feit, maar er hoeft geen sectie verricht te worden.
  3. Er is een niet-natuurlijke dood en een vermoeden van een strafbaar feit en een sectie is noodzakelijk ten behoeve van bewijsvergaring.

In de eerste twee omschreven situaties hoeft er geen sectie te worden verricht en zal het Openbaar Ministerie geen bezwaar hebben tegen de orgaandonatie. In deze situaties kan de officier dus toestemming verlenen voor de orgaandonatie. Deze toestemming wordt in principe gegeven zonder overleg met het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

In de situatie beschreven onder 3 (niet-natuurlijke dood + sectie) is een zorgvuldige afstemming en waar mogelijk behartiging van de belangen van zowel het openbaar ministerie als de belangen van een potentiële donor en de potentiële ontvangers (de patiënten op de wachtlijst voor transplantatie) noodzakelijk. De taak van de officier is het veilig stellen van zoveel mogelijk bewijsmateriaal. Om tevens in zoveel mogelijk gevallen orgaandonatie mogelijk te maken is, al dan niet door tussenkomst van de gemeentelijk lijkschouwer, overleg met de patholoog van het NFI wenselijk. Dit overleg dient ertoe na te gaan of de mogelijkheid bestaat om een of meer organen voor transplantatiedoeleinden uit te nemen op zodanige wijze dat sporen die bij sectie eventueel kunnen worden aangetroffen niet worden uitgewist.