Ga naar de inhoud

Nieuwe transplantaties, nieuwe ethische vragen

Gert van DijkGert van Dijk, Medisch ethicus

Zeg ‘orgaandonatie’ en mensen denken waarschijnlijk aan ‘traditionele’ donaties als die van hart, levers en nieren. Maar de afgelopen jaren zijn geheel nieuwe, vaak spectaculaire vormen van transplantaties ontstaan. Deze nieuwe vormen zijn doorgaans niet gericht op het redden van levens, maar op het verbeteren van de kwaliteit daarvan.

Zo vond onlangs in de VS een zeer uitgebreide gezichtstransplantatie plaats bij een ernstig verbrande brandweerman. Eveneens in de VS werd dit jaar de eerste dubbelzijdige handtransplantatie bij een kind uitgevoerd. In Zuid-Afrika werd in 2014 voor het eerst een penistransplantatie uitgevoerd die nodig was na een mislukte besnijdenis. De transplantatie was zo succesvol dat de partner van de ontvanger inmiddels zwanger is.

En in Zweden zijn in 2014 de eerste kinderen geboren uit baarmoeders die getransplanteerd waren. Het ging hierbij om bij leven gedoneerde baarmoeders, maar in de VS en de UK zijn plannen om ook postmortaal (dus na de dood) gedoneerde baarmoeders voor dit doel te gebruiken.

Deze nieuwe vormen van transplantatie roepen ieder voor zich heel nieuwe ethische vragen op. Omdat deze transplantaties niet levensreddend zijn, verandert ten eerste de afweging tussen risico en potentiële voordelen. Patiënten die een transplantatie ondergaan moeten daarna hun hele leven afweeronderdrukkende medicatie gebruiken, die soms ernstige bijwerkingen kan hebben.

Voor een levensreddend orgaan als een hart of een lever zijn deze bijwerkingen goed te rechtvaardigen, maar dat is anders als het gaat om ‘verbeterende’ transplantaties als die van gezicht of handen. Zo zijn er patiënten bij wie de getransplanteerde handen weer werden geamputeerd omdat zij er niet aan konden wennen of de medicatie vanwege de bijwerkingen niet meer wilden nemen. En hoe zal de patiënt er aan toe zijn als diens getransplanteerde gezicht wordt afgestoten?

‘Traditionele’ transplantaties, zoals die van een hart of een nier, zijn ‘inwendig’, waardoor de patiënt er niet steeds aan herinnerd wordt. Maar bij transplantaties van ‘uitwendig’ materiaal zoals gezicht, handen en penis ontstaat een nieuwe psychologische dynamiek. De patiënt, diens omgeving, maar ook de nabestaanden van de donor worden immers geconfronteerd met een ‘zichtbare’ transplantatie van emotioneel beladen weefsel. Hoe voelt het om aangeraakt te worden door de hand van een overledene? Hoe is het om zo’n hand te hebben? Hoe is het om in de ontvanger het getransplanteerde gezicht, of de handen te zien van je overleden vader of partner?

Bij het transplanteren van geslachtsorganen zoals een baarmoeder rijzen weer andere vragen, omdat er nog een derde bij betrokken is: het toekomstige kind. Hoe voelt het als kind om te weten dat je bent geboren uit de baarmoeder van je oma of een overleden donor? Hoeveel risico – op prematuriteit bijvoorbeeld – voor het kind is acceptabel?

Met de transplantatie van baarmoeders wordt het theoretisch ook mogelijk dat transgenders – en mannen! - zwanger worden. Hoe ver willen we daarmee gaan? Als de baarmoeder bij leven gedoneerd wordt, weegt het risico van de uitnameprocedure dan op tegen het dragen van een eigen kind, terwijl er ook een alternatief – draagmoederschap – beschikbaar is?

Discussies over orgaandonatie beperken zich vaak tot debatten over tekorten en mogelijkheden om de schaarste aan organen op te heffen. Maar met al deze nieuwe vormen van transplantaties dringen zich nieuwe ethische vragen op waarvan de beantwoording nog nauwelijks begonnen is. Het worden spannende tijden!