Ga naar de inhoud

1954: Eerste orgaantransplantatie met levende donor

Tweelingbroers Ronald en Richard Herrick, na de 1e orgaantransplantatie ter wereld
Tweelingbroers Ronald en Richard Herrick, na de 1e orgaantransplantatie ter wereld

Welke doorbraken hebben de transplantatiegeneeskunde verder gebracht? Over die vraag gaat de serie ‘historische mijlpalen van de transplantatiegeneeskunde’. Deel 1: in 1954 krijgt voor het eerst een patiënt een orgaan van een levende donor en overleeft het.

Wat gebeurde er precies in 1954?

Op 23 december 1954 redde Ronald Herrick het leven van zijn tweelingbroer Richard en de Amerikaanse chirurg Joseph Edward Murray het leven van zijn patiënt. 

Richard leed aan een chronische nierziekte en zou spoedig sterven. Alleen een nieuwe nier kon hem nog redden. Broer Ronald was bereid een nier af te staan en Murray, een ervaren chirurg, bereid die te transplanteren. Het was een grote gok: geen arts ter wereld was er nog in geslaagd om een transplantatie tot een goed einde te brengen. De ontvangers van nieuwe organen stierven meestal kort na de operatie.

Het risicovolle experiment slaagde. Richard knapte op en zou nog acht jaar leven. In 1958 lukte het Murray ook om een nier te transplanteren tussen genetisch niet-verwante personen en in 1962 wist de Amerikaanse arts zelfs een nier uit een net overleden persoon succesvol te transplanteren.

Hoe werd de mijlpaal bereikt?

Murray, die in 1990 werd gelauwerd met de Nobelprijs voor de Geneeskunde, had het geluk dat zijn nierpatiënt Richard een eeneiige tweelingbroer had. Doordat de broers genetisch identieke nieren hadden, stootte Richards lichaam Ronalds nier niet af.

Ook het wetenschappelijke tij zat Murray mee. Begin van de eeuw had de Franse vaatchirurg Alexis Carrel uitgevonden hoe je bloedvaten kunt hechten zonder ze ernstig te beschadigen en zonder dat er bloedstolsels ontstaan. Van deze techniek, de zogenoemde anastomose, maakte Murry in 1954 dankbaar gebruik.

Na dit eerste succes speurde Murray met andere artsen en onderzoekers naar medicijnen om afstoting van donornieren te voorkomen. Die vonden ze: met Imuran kon het afweersysteem worden onderdrukt, vooral in combinatie met prednison. Dankzij die geneesmiddelen kon Murray ook nieren transplanteren tussen mensen zonder bloedband.

Wat was het effect op de transplantatiegeneeskunde?

Met de geslaagde operatie liet Murray zien dat organen transplanteren in principe kan. Na dat succes durfden meer chirurgen het aan. Ook probeerden ze andere organen te transplanteren, vaak van overleden donoren. Al snel slaagden die pogingen.

In 1963 werd de eerste long getransplanteerd, in 1966 de eerste alvleesklier en in 1967 volgden een lever en een hart. De eerste drie transplantaties vonden plaats in de VS, de laatstgenoemde in Zuid-Afrika. Leiden had de primeur voor Nederland, in 1966: in het Academisch Ziekenhuis stond een moeder met succes een nier af aan haar zoon.

Sinds de doorbraak in 1954 is het aantal transplantaties wereldwijd enorm toegenomen, van zowel levende als dode donoren. In 2012 werden 112.700 organen getransplanteerd. De meeste daarvan zijn niertransplantaties: 77.800, waarvan bijna duizend in Nederland.

De laatste jaren worden in de VS en Europa steeds meer nieren bij leven gegeven. In Nederland gaat het om meer dan de helft van de gevallen. Zo blijft dit type niertransplantatie een centrale rol spelen: zestig jaar geleden als inspiratiebron voor deze hele tak van geneeskunde, nu als meest uitgevoerde transplantatie.