Geschenk

5 augustus 2019

Afgelopen februari was dr. Mario Macis in Nederland om over orgaandonatie te spreken. Macis is econoom aan Johns Hopkins University in Baltimore en deed interessant veldonderzoek naar de rol van financiële prikkels in het bevorderen van bloed-, weefsel- en orgaandonatie. Wat bleek? Beloning zorgt ervoor dat mensen meer bereid zijn om te doneren en dat ook vaker zullen doen.

Column april 2019

Eline Bunnik Ethicus aan Erasmus MC in Rotterdam

Het werk van Macis ontkracht een mythe die lange tijd bepalend is geweest voor beleid. Die mythe begon bij het boek ‘The Gift Relationship’ van socioloog Richard Titmuss uit 1970. Titmuss benadrukte het belang van belangeloosheid bij donatie. Mensen doneren uit altruïstische overwegingen; zij doen het voor de ander, zonder er iets voor terug te willen.

Aard van donatie

Door donatie financieel te belonen, maak je er een zakelijke transactie van. Dat druist in tegen de aard van donatie. Doneren is geven; donatie is een geschenk. En dat moet zo blijven. Titmuss had ook andersoortige argumenten tegen financiële beloning bij donatie. Bij de bloedbank zou beloning leiden tot een afname van de bereidwilligheid om te doneren, en daarmee tot een vermindering van de hoeveelheid beschikbaar bloed. Ook zou beloning ‘verkeerde’ mensen trekken, mensen met een lagere socio-economische status, die wellicht minder gezond zijn.

Eventueel risicogedrag

Als mensen snel geld nodig hebben, zullen zij bovendien geneigd zijn om eventueel risicogedrag, zoals onbeschermd seksueel verkeer, misbruik van verdovende middelen of verre reizen, te verzwijgen, omdat zij anders niet in aanmerking zouden komen voor donatie. Dat zou leiden tot gezondheidsrisico’s bij ontvangers. Macis’ onderzoek toont aan dat deze nadelige gevolgen helemaal niet optreden: beloning verhoogt juist de bereidheid om te doneren en heeft geen schadelijke gevolgen voor de kwaliteit. 

Toch is het in veel landen, ook in Nederland, verboden om donatie financieel te belonen. De Wet op de orgaandonatie luidt dat vergoeding voor orgaandonatie niet méér mag bedragen dan 'de kosten, daaronder begrepen gederfde inkomsten, die een rechtstreeks gevolg zijn van het verwijderen van het orgaan'. Compenseren mag dus wel, maar betalen niet. 

Reële beloning

In 2007 schreven mijn 2 collega’s Medard Hilhorst en Gert van Dijk een ethische verkenning van financiële stimulering van orgaandonatie voor het Centrum voor Ethiek en Gezondheid. Daarin concludeerden zij dat er eigenlijk geen bezwaren zijn tegen een ‘reële’ beloning van levende donoren. Zij dachten aan een levenslange vrijstelling van de ziektekostenpremie, of aan een bedrag dat ooit werd genoemd door de Nijmeegse hoogleraar Andries Hoitsma: 50.000 euro. Niet alleen voor mensen die anoniem aan vreemden doneren (de zogenaamde Samaritaanse donoren), maar ook voor mensen die aan familieleden of vrienden doneren. 

Financiële prikkels zouden een deel van de meer dan 600 patiënten die op de wachtlijst staan voor een niertransplantatie het leven kunnen redden. De enige zorg van Hilhorst en Van Dijk was dat belonen van donatie kan leiden tot onrechtvaardigheid. Het mag niet zo zijn dat alleen de rijken toegang hebben tot donororganen, of dat de armen dienen als een reservoir aan organen voor de rijken.

De ‘markt’ voor organen moet daarom streng gereguleerd worden. Bijvoorbeeld doordat niet de ontvanger betaalt, maar de zorgverzekeraar of de staat. En het toewijzen van donororganen moet verlopen via een centrale organisatie, zoals Eurotransplant, en volgens de gebruikelijke klinische criteria. Een eerlijk systeem, waarin je geeft door te doneren en er ook iets voor terug krijgt. Juridisch is dat nu niet mogelijk, maar we kunnen de argumenten voor en tegen wel weer eens heroverwegen.