‘Mijn werkgever gaat er goed mee om’

‘De artsen staan er versteld van dat ik met zo’n kleine longfunctie nog zo veel kan. Dat sporten is vrij intensief en doe ik zonder zuurstofapparaat. Ik doe intervaltraining en krachttraining en ik loop. En ik werk in een reguliere baan 32 uur per week als office assistent, verdeeld over vijf dagen.'

'Het toeval wil dat mijn collega een paar jaar geleden een nieuwe lever heeft gekregen, dus mijn werkgever weet wat het is om te wachten op een donororgaan. Op mijn werk gaan ze er goed mee om: als ik ziek ben, is dat niet zo’n probleem. En nu mijn weerstand hoger is, word ik minder snel ziek dan voorheen.’

‘Ik kijk vooral naar wat ik wél kan’

‘Voorheen kreeg degene die het langst op de wachtlijst stond het eerst een donororgaan. Sinds april 2014 telt de wachtlijst minder mee. Daarom schuif ik niet door. Ik heb wel eens gedacht: misschien hoef ik ook geen nieuwe longen, ik weet niet beter. Maar de arts heeft gezegd dat het echt wel nodig is.

Bij een longontsteking duurt herstellen 4 maanden en met donorlongen zou ik veel meer kunnen. Nu doe ik bijvoorbeeld zaterdag de hele dag niks als ik vrijdag ergens naar toe ben geweest. Toch denk ik nu niet zo aan een transplantatie. Ik kijk vooral naar wat ik allemaal kan. Als ik zou kijken naar wat ik níét kan, zou het leven er niet beter op worden.’

‘We durven ongeveer een jaar vooruit te kijken’

‘Mensen vinden me positief ingesteld. Ook in het ziekenhuis. Mijn fysiotherapeut zegt wel eens: waar haal je die wilskracht toch vandaan? Vooral daardoor gaat het zo goed. Ik durf ook vooruit te kijken. Niet heel ver, ongeveer een jaar.'

'Mijn vriend en ik willen graag een huis kopen. Over kinderen denken we nog niet na, maar als we zover zijn en het zou fysiek niet kunnen, dan zijn er andere mogelijkheden. Dat opperde mijn vriend zelf, heel mooi vond ik dat.’

‘Als ze zouden bellen, zou ik blij zijn’

‘De meeste mensen die ik ontmoet, gaan pas over donatie nadenken als ik daar iets over vertel. Rondom de komende wetwijziging is er veel aandacht voor geweest in de media, daar ben ik blij om.' 

Er zouden veel meer donoren moeten zijn. De kans dat iemand na overlijden donor wordt is heel klein. En heel veel mensen zouden enorm geholpen zijn met een orgaan of weefsel. Nu denk ik: er zijn mensen met wie het slechter gaat, die hebben harder nieuwe longen nodig dan ik. Maar als ze me zouden bellen dat ze er zijn, zou ik toch wel heel blij zijn.’